Waar mijn passie begon

Waar is mijn passie begonnen voor het bouwen van websites over reizen en vakanties? Dat begon ruim vijftig jaar geleden, toen ik voor het eerst landen in Azië bezocht, zoals China, Japan, Zuid-Korea, Hongkong, Indonesië en Thailand. Niet alleen de prachtige landschappen en indrukwekkende bezienswaardigheden maakten diepe indruk op mij, maar vooral de culturen en de mensen die ik daar ontmoette.

Wie veel reist en veel mensen ontmoet, verzamelt vanzelf bijzondere verhalen. Zeker in een tijd waarin maar weinig mensen de mogelijkheid hadden om verre reizen te maken. Vrienden zeiden vaak tegen mij dat ik eigenlijk een boek zou moeten schrijven over alles wat ik had meegemaakt. Daar heb ik tot op heden helaas nooit de tijd voor gehad. Wel heb ik veel van mijn persoonlijke ervaringen vastgelegd op mijn reiswebsites. Elk land heeft op zijn eigen manier een bijzondere plek in mijn hart gekregen.

Toevallige ontmoetingen waren tijdens mijn reizen geen uitzondering. Zo ontmoette ik ooit op de trappen van het Grand Hotel in Taipei mijn lokale Chinese restauranthouder uit Nederland. Bijna tegelijk riepen we verbaasd: “Wat doet ú hier?” U moet weten dat er vijftig jaar geleden nauwelijks Nederlandse bezoekers in Taiwan waren. Was het puur toeval, of had het zo moeten zijn?

Volksrepubliek China 1975

En dan natuurlijk de Volksrepubliek China. Hier wil ik graag het verhaal delen van mijn eerste reis naar China, gemaakt in april 1975. In de afgelopen vijftig jaar is er ongelooflijk veel veranderd in dat land. Ik denk dat er geen ander land ter wereld is dat in zo’n relatief korte tijd zo’n enorme ontwikkeling heeft doorgemaakt als China. Als voorbeeld: Shenzhen was destijds nog een dorp met ongeveer 36.000 inwoners. In 2026 is het uitgegroeid tot een wereldstad met circa 18 miljoen inwoners.

Mijn eerste reis begon in Hongkong, dat destijds nog een Britse kolonie was. Vanuit daar reisde ik naar de Volksrepubliek China. In die tijd mochten slechts enkele honderden Nederlanders China bezoeken en alleen met een visum dat via de Chinese ambassade werd verstrekt. Foto’s uit die periode heb ik later geplaatst op mijn website: “www.chinaontdekken.nl”.

Mao Zedong leefde toen nog en overal hingen grote portretten en spandoeken met revolutionaire leuzen langs de wegen. Zodra je de grens bij Lo Wu overstak, kreeg je direct het Rode Boekje van Mao in handen gedrukt. De Chinese bevolking keek massaal naar die buitenlandse bezoekers alsof we van een andere planeet kwamen. Men schrok zelfs van mijn fotocamera met telelens, die ik kort daarvoor in Hongkong had gekocht.

Ik reisde naar China voor zaken en bezocht in april de beroemde Canton Fair. Hotels kon je destijds niet zelf boeken; dat werd volledig door de overheid geregeld. In Guangzhou waren er toen slechts twee hotels beschikbaar voor buitenlanders: het White Swan Hotel en het Tung Fang Hotel.

Vanaf het treinstation werd ik in een geblindeerd busje naar het Tung Fang Hotel gebracht. Op de grote binnenplaats stonden mensen uit allerlei landen te wachten op wat er ging gebeuren. Na lange tijd verscheen een Chinese man in een Mao-pak. Hij klom op een houten kistje en sprak via een grote toeter in gebrekkig Engels:

“Broeders van de hele wereld, welkom in China. Helaas hebben wij niet genoeg kamers voor iedereen. Mensen met een partner krijgen samen een kamer. De rest krijgt een kamergenoot toegewezen. Tenslotte zijn wij hier allemaal vrienden en leven wij in harmonie.”

Omdat ik alleen reisde, kreeg ik een kamer toegewezen die ik moest delen met een man uit de Verenigde Arabische Emiraten. In de kamer stond één smal, deels verroest ijzeren bed van ongeveer 1.40 meter breed. Inderdaad: samen slapen met een totaal onbekende man.

De kamer was uiterst sober ingericht. Er stond een klein tafeltje met een ventilator erop. Het gat voor een airco was al aanwezig en de elektriciteitsdraden hingen uit de muur, maar de airconditioning zelf moest blijkbaar nog worden uitgevonden. Verder was de kamer zo leeg dat zelfs een blind paard er geen schade had kunnen aanrichten.

Er was wel een badkamer met ligbad, maar zodra je de kraan opendraaide, kwam er roestbruin water uit. Gelukkig hing er een klamboe boven het bed om ons tegen muggen te beschermen. Iedere avond kwam het kamermeisje de kamer besproeien met DDT tegen ongedierte. “Voetjes van de vloer,” en vervolgens werd de hele kamer ondergespoten. Natuurlijk glimlachten we vriendelijk en zeiden beleefd: “Che-che”, oftewel dank u wel.

Een ander opvallend detail was het ontbreken van toiletpapier. Papier werd gemaakt van hout en daar ging men in China zuinig mee om. Toiletpapier kreeg je alleen op aanvraag van een man in de gang die de velletjes uitdeelde. Meestal kreeg je één velletje met de mededeling dat dit voldoende moest zijn. Alleen na veel aandringen kreeg je soms een paar extra velletjes. Kopen kon niet, want geld aannemen was streng verboden. Corruptie bestond officieel niet in China.

Wanneer je in het restaurant een fooi achterliet, werd dat geld netjes tentoongesteld in een vitrinekast met daarboven het bordje: “Lost and Found”.

Het hotel had slechts één restaurant. De tafels waren bedekt met wit papier, de stoelen hadden witte katoenen hoezen en aan het plafond hing felle TL-verlichting. Er was geen à-la-cartemenu; iedereen kreeg exact dezelfde maaltijd: soep vooraf, een hoofdgerecht en als dessert een ijsje.

Het personeel moest echter nog wennen aan westerse eetgewoonten. Regelmatig werd eerst het ijsje geserveerd, daarna het hoofdgerecht en tot slot de soep. Ook in deze eetzaal stond trouwens de beroemde vitrine met “Lost and Found”.

Wie deze periode zelf heeft meegemaakt, zal hier ongetwijfeld nog hartelijk om kunnen lachen.

Auto’s waren er in die tijd nauwelijks in China. Vrijwel iedereen verplaatste zich per fiets. ’s Nachts was het een enorm lawaai, omdat fietsverlichting bijna niet bestond. De enige manier om elkaar te waarschuwen tijdens het passeren was door voortdurend te bellen.

De Verenigde Staten hadden destijds nog geen diplomatieke relatie met China. Regelmatig zag je demonstraties door de brede straten trekken met leuzen tegen het kapitalisme en Amerika. Dat maakte behoorlijk indruk en was zelfs intimiderend.

Vanuit mijn hotelraam keek ik uit op een brede straat waar iedere ochtend een vrachtwagen een enorme berg steenkool en stenen dumpte. Kort daarna arriveerden mannen en vrouwen op fietsen met grote rieten manden. Zij sorteerden de kolen en stenen op formaat en verzamelden ze in die manden. ’s Avonds kwam dezelfde vrachtwagen terug en werden alle manden weer leeggestort in de wagen, precies zoals ze die ochtend waren gebracht. Werkverschaffing, zo begreep ik later — een verschijnsel dat vaker voorkwam in communistische landen.

Op zondag organiseerde men excursies voor buitenlandse bezoekers, want vrij reizen was verboden. Je kon kiezen uit een bezoek aan een textielfabriek, een gloeilampenfabriek of een nabijgelegen dorp. Tijdens mijn eerste reis koos ik voor het dorp.

Bij aankomst zaten kinderen bij de ingang van het dorp op ons te wachten. Ze klapten enthousiast in hun handen en zwaaiden vriendelijk naar ons. In het dorp konden we onder meer een ziekenhuis bezoeken, waar we zelfs in de kamers van patiënten mochten kijken. Ook mochten we bij een tandartspraktijk naar binnen en foto’s maken van vrouwen die kleding stonden te wassen.

Maandagochtend begon de Canton Fair. Buiten wachtte iedereen totdat het volkslied klonk; dat was het teken dat de deuren open gingen. Binnen waren verschillende hallen ingericht per Chinese regio, waar uiteenlopende producten werden verkocht.

Ik werkte destijds als inkoper van kunstnijverheid en kocht onder andere porselein, kamferkisten, kimono’s, jade, ivoor, cloisonné, mandwerk en rietproducten. Elk artikel had een katoenen label met een artikelnummer. Met dat nummer ging je naar een tafel waar twee Chinese universiteitsstudenten zaten. In hun boekjes konden zij precies zien wat de prijs was en hoeveel stuks er beschikbaar waren.

Over de prijs viel niet te onderhandelen. De hoeveelheid was echter vaak beperkt, omdat alles handwerk was. Iedereen wilde zoveel mogelijk inkopen, want de prijzen waren extreem laag.

Ik herinner me bijvoorbeeld nog het artikelnummer van een populair wilgentenen stokbroodmandje: T10059-17 inch. De letter “T” stond voor Tientsin, het huidige Tianjin.

Die artikelnummers moest je goed onthouden, want sommige inkopers verwijderden expres de labels zodat anderen het product niet meer konden terugvinden. Zo probeerden ze zelf grotere aantallen te bemachtigen.

Gelukkig gold dit niet voor unieke producten zoals jadebeeldjes, cloisonné-vazen en ivoren kunstwerken; daarvan bestond vaak maar één exemplaar.

Na die eerste reis in 1975 ben ik nog vele malen teruggekeerd naar China. En zoals u waarschijnlijk begrijpt, nam ik tijdens mijn tweede reis in het najaar ruim voldoende toiletpapier van huis mee.

Partner reisbureau's en touroperators die reizen aanbieden naar China: